“Dat gedoe met die relieken”
COLUMN
Dit weekend bezocht ik de Nacht van de Utrechtse geschiedenis. In de Dom werden allerlei activiteiten georganiseerd, net als in de rest van de stad. Zo bezocht ik een lezing verzorgd door Ingrid Henkemans van Museum Catharijneconvent over heiligen. In de aankondiging stond de vraag: “Welke heiligen roepen we vandaag stiekem nog aan?” Dat woordje ‘stiekem’ deed bij mij al het vermoeden rijzen dat er in de presentatie weinig sprake zou zijn van religieuze eerbied. En zo geschiedde. Onder het mom van cultuurhistorische duiding werd de zaal getrakteerd op een beproefd recept: het tentoonstellen van de levende katholieke traditie als een exotisch, intellectueel minderwaardig schouwspel uit het verleden.
Hoewel Henkemans liet zien dat zij over veel kennis van de kerkgeschiedenis beschikt, omschreef ze de verering van heiligen, die vandaag de dag nog altijd een belangrijk onderdeel is van het katholieke geloof, als “dat gedoe met die relieken”. Het is een stuitende paradox: musea pronken dolgraag met de materiële pracht van het katholieke erfgoed om subsidies en bezoekers te trekken, maar de levende ziel áchter die objecten wordt weggezet met een dedain waar de honden geen brood van lusten.
Henkemans omschrijft de verering van heiligen als “dat gedoe met die relieken”.
Even later werd een lijst van patroonheiligen gepresenteerd alsof het een receptenboek betrof. Dit leverde hoongelach op om die ‘malle, bijgelovige katholieken’ die overal hun zogenaamde heiligen bijslepen. De tegenwoordig protestantse Domkerk bleek een geschikte plek om de katholieke traditie opnieuw af te schilderen als een vorm van afgoderij. Of, zoals Henkemans het omschreef: de eerste christenen bedachten simpelweg een nieuwe vorm van voorouderverering.
Natuurlijk zijn er ook heiligen bij uit onze tijd, zoals de heilige Carlo Acutis. Dat deze jongeman al binnen twintig jaar na zijn dood heilig werd verklaard, kwam volgens Henkemans vooral door zijn moeder. “Wat ik daarvan vind, zal ik maar even in het midden laten”, voegde ze eraan toe.
De heiligverklaring van Carlo Acutis kwam vooral door zijn moeder.”
Ook de Gertrudiskathedraal in Utrecht komt in beeld. Dit betreft de Oud-Katholieke Kerk; volgens Henkemans is dat “gewoon weer een ander smaakje”. Dit schismatieke genootschap kan ondertussen wel op haar waardering rekenen, want “daar mogen vrouwen wél op het altaar”. In de Gertrudis wordt overigens de Utrechtse Domschat bewaard: maar liefst 1700 relieken van heiligen die tijdens de Reformatie werden gered uit de Utrechtse Dom zijn uiteindelijk terechtgekomen in een afgescheiden, schismatieke kerkgemeenschap die de paus niet eens erkent en inmiddels zelfs vrouwelijke bisschoppen wijdt. Van lang niet alle relieken in deze schat is trouwens bekend om welke heilige het gaat; sommige stammen uit tijden ver voor de bouw van de middeleeuwse Dom.
Die onzekerheid betreft ook een reliekhouder in het Catharijneconvent, waarin een rib van de heilige Laurentius zou worden bewaard. Er is geen wetenschappelijk onderzoek bekend dat definitief vaststelt dat het daadwerkelijk om de beroemde diaken gaat. Maar Laurentius is niet de eerste de beste. Eeuwig zonde dus dat in het museum velen aan hem voorbij schuifelen zonder er een bewuste gedachte aan te verspillen, terwijl tal van gelovigen in een actieve katholieke kerk hun gebeden zo graag aan Sint-Laurentius zouden willen toevertrouwen.
Hoewel de lezing slechts een kwartier duurde en vol interessante elementen zat, deed de toon van het betoog mij diep verdriet. Het legde een grotere, structurele tendens bloot waarin katholieken zonder blikken of blozen worden weggezet als een stel godsdienstwaanzinnigen. In een samenleving die de mond vol heeft van inclusiviteit en respect voor ieders identiteit, lijkt het trappen naar de katholieke traditie een geaccepteerde vorm van discriminatie. Geloofsconcepten die miljoenen mensen troost en richting geven, worden gereduceerd tot een infantiele rariteitenshow. En dat terwijl er genoeg katholieken zijn die met liefde over hun geloof spreken en dit soort lezingen prima zouden kunnen verzorgen, mét de theologische diepgang en de eerbied die ons levende geloof simpelweg verdient.

