Feministe begint vraagtekens te zetten bij pro-abortus retoriek terwijl ze rouwt om haar eigen miskramen

Eén van onze redactieleden kwam een artikel tegen van schrijfster Kate Parsons over haar ervaringen met miskramen, verdriet en haar pro-abortus overtuigingen en wilde dit graag delen. Hieronder volgt een vertaling van het oorspronkelijke artikel. Benieuwd naar het originele artikel? Kijk dan onderaan de pagina.  

Toen schrijfster Kate Parsons twee miskramen kreeg, werd ze overvallen door haar intense verdriet,  maar dit verdriet kwam in conflict met haar pro-abortus overtuigingen:

Ik was niet voorbereid… op de verwoesting die ik zou voelen… Ik worstelde nog steeds met een aanhoudende verwarring. Ik had moeite met het conceptualiseren van mijn verliezen met mijn pro-choice politiek…. Zwangere pro-choice feministen die te maken krijgen met de beëindiging van een gewenste zwangerschap, vinden het vaak moeilijk om ons verlies te conceptualiseren en om over ons verlies te rouwen.’

In de zelfhulpboeken die ze over miskramen las werd het woord “baby’s” gebruikt om de ongeboren kinderen te beschrijven. Maar het gebruik van de term “baby” was problematisch voor Parsons:

‘Voor degenen die, zoals ik, het gebruik van de precieze prenatale termen – embryo tot acht weken, foetus daarna tot de geboorte – standvastig hebben verdedigd, kan de aanbeveling om het verloren wezen een baby te noemen tegelijkertijd verontrustend als dwingend zijn.’

De ontmenselijkende manier waarop zij altijd naar ongeboren kinderen had gekeken, leek haar niet langer juist:

‘Ik… heb altijd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen prenatale foetussen en postnatale baby’s… maar na mijn miskramen begon ik steeds minder vertrouwen te hebben in de termen embryo en foetus. Op de een of andere manier begonnen deze termen te koud aan te voelen, te afstandelijk.’

‘Vreemd genoeg begon ik het idee dat ik “baby’s” had verloren geruststellend te vinden, ondanks mijn zorgen dat ik onbewust werd beïnvloed door de “andere kant” waar mijn pro-abortus politiek zo lang op gericht was geweest.’

Ondanks haar pro-abortus overtuiging, vond Parsons dat het erkennen van de menselijkheid van haar verloren kinderen troostend aanvoelde. Maar ze zag hoe dit in strijd was met haar pro-abortus visie. Verwijzend naar een zelfhulpboek dat haar aanmoedigde om haar verloren kinderen “baby’s” te noemen en een miskraam een “dood”, schreef ze:

‘Vóór mijn miskramen zouden de pro-life/anti-abortus implicaties van zulke suggesties mij de stuipen op het lijf hebben gejaagd. Maar na mijn miskramen voelde iets van deze suggesties vreemd genoeg geruststellend. Ik had tenslotte het gevoel gehad dat mijn ervaringen over het algemeen werden genegeerd, en dat de legitimiteit van mijn verdriet na elk verlies in twijfel werd getrokken.’

‘Zou de bron van deze gevoelens het feit kunnen zijn dat ik “slechts” naar de verloren wezens verwees als embryo’s en foetussen? En betekenden mijn tegenstrijdige gevoelens een inconsistentie in, of op zijn minst een uitdaging voor, het pro-choice feminisme?’

Parsons zocht naar feministische geschriften die haar zouden helpen haar conflict op te lossen, maar kon niets vinden:

‘Ik had gehoopt dat andere feministische filosofen conceptuele helderheid zouden kunnen verschaffen over hoe mijn verwarring geworteld was in het patriarchale denken, en ik verwachtte verhelderende voorstellen te vinden over hoe ik mijn verdriet zou kunnen omzetten in meer bevrijdende vormen van feministisch denken. Maar tot mijn ontsteltenis vond ik nauwelijks iets geschreven over het onderwerp.’

Ze gaf toe dat haar pro-abortus standpunten (met nadruk) “haar genezing belemmerden”:

‘In mijn geval belemmerde de angst dat ik mijn pro-choice houding zou verraden en mijn persoonlijkheid zou opgeven door mijn verdriet te erkennen en te rouwen over het verlies mijn genezing en versterkte het mijn verwarring.

‘Aangezien ik zo gehecht was geraakt aan deze prille wezens en er zo sterk van had gehouden, hoe kon ik dan consequent volhouden dat zij, of enig ander wezen in dezelfde ontwikkelingsfase, met rechtvaardigheid zou kunnen worden beëindigd?’

Uiteindelijk vond Parsons haar persoonlijke gevoelens en haar verlangen om te rouwen om het verlies van haar kinderen, onverenigbaar met haar pro-abortus overtuigingen:

‘Ik voelde een spanning tussen enerzijds mijn vaste overtuiging dat het gerechtvaardigd zou zijn geweest om het leven van mijn foetussen te beëindigen (als ik daar autonoom voor had gekozen) en anderzijds mijn extreme verdriet over hun beëindiging.’

Jammer genoeg bekeerde Parsons zich niet tot het pro-leven standpunt. Hoewel haar hart haar vertelde dat haar verloren baby’s waardevolle menselijke wezens waren, besloot ze dat ‘het feit dat ik gaf om de wezens die ik onderhield niet hoefde te impliceren dat ik, of welke andere vrouw dan ook zou moeten geven om de prenatale wezens die zij of ik zou kunnen onderhouden’.

De waarde van een foetus, besloot zij, was gebaseerd op de vraag of een vrouw hem of haar waardeerde. Haar baby’s waren alleen waardevol omdat zij ze wilde.

Ze zegt: ‘Het is de opvatting van de vrouw over de zwangerschap en haar relatie tot het embryo/de foetus die de morele en emotionele betekenis ervan bepaalt.’

Dus haar conclusie was dat de waarde van een baby afhangt van de mening van haar moeder over haar. Haar baby’s hadden alleen waarde, zegt ze, omdat zij ze wilde. Ze waren het waard om over te rouwen, maar ongewenste baby’s zijn dat niet.

Parsons zegt dat als de pro-choice beweging geen “steun” geeft aan vrouwen die een miskraam krijgen, sommigen pro-life zullen worden:

‘Er is reden om ons zorgen te maken over het aanzwellen van de pro-life/anti-abortus aanhang, als we niet meer steun bieden aan vrouwen die een miskraam krijgen. Nu Roe v Wade in een steeds precairder positie komt te verkeren, kunnen feministen het zich niet veroorloven pro-choice vrouwen te verliezen door niet te luisteren, te communiceren, te omhelzen en/of te troosten als ze een miskraam krijgen.’

Ze legt niet uit welke vorm deze “steun” zou moeten aannemen, behalve dat het niet zou moeten inhouden dat ze van mening zijn dat ongeboren baby’s een inherente waarde of menselijkheid hebben.

 

 

Referentie artikel en afbeelding: 

Parson, K. (2010). Feministische reflecties op miskraam, in het licht van abortus. International journal of feminist approaches to bioethics, 3, 4-15. Geraadpleegd van:  https://www.liveaction.org/news/feminist-question-pro-abortion-rhetoric-mourning-miscarriages/?_hsmi=108717139&_hsenc=p2ANqtz-9xV0UX5YPJaVd8tdfbdgw7Z2B0EW2eoegulSd8647IKdZGwkFh157FSfvkNTyauQsp2tjEj1krHztzc2vxJihMWvVXtA&fbclid=IwAR1QgpreSM4re9Y3ty8G5RP8D94ErKRlyzI6KLuCuu7GvaoecUMvVdBPrsI

 

Geef een reactie