Interview pater Knudsen: Wij leven door de genade reeds in het Koninkrijk van God

Door: Daniël 
 
Pater Knudsen geeft leiding aan de Agnesparochie in Amsterdam. Eén van de snelst groeiende parochies in Nederland. Wij vroegen hem naar zijn bijzondere levensverhaal, bekering en de duurzaamheid van de traditionele en Tridentijnse mis.
 

Kunt u iets vertellen over uw jeugd, opvoeding en bekering tot het katholicisme?

 
In 1975 ben ik geboren in het zuiden van Denemarken in een Evangelisch-Lutherse familie en zo ben ik ook opgevoed. Dat is anders dan wat men hier in Nederland als de hoofddenominatie van het protestantisme kent: het gereformeerde christendom van Calvijn. De Lutherse belijdenis gaat terug op de Confessio Augustana uit 1530 en is qua inhoud meer katholiserend. Bijvoorbeeld wat betreft de doopstheologie en gedeeltelijk het zogenoemde avondmaal. Er zijn meer elementen van de oorspronkelijke katholieke theologie daarin overgebleven dan in de calvinistische traditie. Ik ben echter opgevoed als cultuurchristen, wat veel voorkomt in Denemarken en dat houdt in dat je het christendom in ieder geval in culturele zin aanhangt, maar ook dat je iets over de bijbelse geschiedenis weet en over de grote traditie van de psalmen. Binnen mijn opvoeding werd het niet overgedragen als een persoonlijk geloof, maar als vanuit de cultuur aangegeven. 
 
Op mijn veertiende vond ik een aantal oudere Duitse boeken van mijn grootvader, waaronder een Apologetica, die bepaalde filosofische en theologische standpunten verdedigde en waarin ook de godsbewijzen aan bod kwamen. Toen besefte ik dat het christendom anders en meer is dan alleen maar een cultuurchristelijke aangelegenheid. Ik begon mij meer voor het christendom te interesseren en de katholieke kerk blijkt, ook in haar historische gestalte, de voortzetting van de apostolische kerk te zijn. Ik dacht: als het christendom waar is als geloofstelsel, dan hoort het thuis te zijn in de kerk die de apostelen hebben gesticht. Ik stelde de vraag naar God en Zijn bestaan en als Hij bestaat en wij hem met ons leven moeten dienen, dan kan dat alleen in de katholieke kerk zijn. De jaren daarna heb ik er meer over gelezen en ervoor gebeden.
 
Toen ik achttien werd, heb ik besloten om katholiek te worden en contact opgenomen met de lokale pastoor, waar ik nog een klein jaar wekelijks les kreeg. Met negentien ben ik in de katholieke kerk opgenomen. Dat was in 1994. Het was in de parochiekerk van het bisdom waar de mis in de volkstaal werd opgedragen. Ik dacht dat die uit het Latijn was vertaald en altijd min of meer zo was geweest. De hoogmis van de lutheranen was enkele zondagen in het jaar plechtiger dan de katholieke missen in het Denemarken. De protestantse pastoors vieren het avondmaal aan hun hoogaltaar en het avondmaal werd knielend aan een communiebank ontvangen. De liturgische eerbied van de protestanten oversteeg af en toe de uiterlijke eerbied van de katholieken. Er werd in Denemarken bij de katholieken echter nog wel geknield tijdens de canon, zoals het altijd is geweest.
 
“Wij strijden voor God en Zijn liefde. Daarom kan een christen niet onverschillig zijn.”   
 
Hoe hebt u uw priesterroeping gevonden?
 
Religie was in de familiesfeer niet echt een gespreksonderwerp. Het werd als iets privaats gezien. Men leert hun kinderen wel het Onze-Vader, maar over de inhoud werd niet gesproken. Het was geen God die rechtstreek in ons leven intervenieerde. Het is een vrij eenzame godservaring, maar daardoor heb ik geen problemen gehad met mijn familie in het katholiek worden. Toen ik katholiek werd, raakte ik ervan overtuigd dat de waarheid van de christelijke openbaring een rechtstreekse invloed heeft op de manier waarop ik zou moeten leven met God en mijn naasten. Voor nu, maar ook voor de eeuwigheid. Wij strijden voor God en Zijn liefde. Daarom kan een christen niet onverschillig zijn. Dat was heel anders dan mijn ervaring als kind. Welke consequenties heeft het geloof voor mijn leven? Ik was als jongeman vol dankbaarheid voor wat ik heb mogen ontdekken. Wat wil God dat ik Hem geef? Vanzelfsprekend is dat mijn leven. Maar op welke wijze? Als men over een roeping praat, dan is het inderdaad de wijze waarop men het concrete leven in dienst van God stelt. Een roeping is niet iets wat men uitkiest, maar wat men zich afvraagt. Wat wil God dat ik met mijn leven doe? Hoe wil God dat ik mijn leven aan Hem schenk? Vanuit die innerlijke gesteldheid heb je al de bereidheid om de roepende stem van God te willen volgen, waar die ook maar naartoe voert. Dat is een bijzondere genade. 
 
In Silkeborg probeerde ik elke dag naar de Heilige Mis te gaan als acoliet. Zo heb ik vrij vroeg een verlangen ervaren om deze dienst op het altaar te voltrekken en mijn leven als priester aan God te schenken. In 1999 ben ik ingetreden in het seminarie. Als je als nieuwe bekeerling je leven aan God wil geven, dan moet je ook daadwerkelijk weten dat het ook een leven is wat je aan God kunt schenken. Ik wil hem dienen waar Hij mij roept, maar ik wil ook weten dat Hij mij roept en dat het niet voortkomt uit een persoonlijke emotie. Als je God iets geeft, moet je het beste geven wat je kunt geven. Ben ik überhaupt geschikt om priester te worden? De tijd is de beste beproeving die je kunt hebben. De tijd beproeft de intenties. Worden de intenties sterker dan is dat een goed teken. Vanaf 1997 wiste ik zeker dat ik priester wilde worden en dat het de weg is waar God mij toe roept. Dan volgt de vraag: waar? Ik was mij toen bewust van de Tridentijnse mis (oude ritus) en ik ben daar rond die tijd voor het eerst naartoe gegaan. Die werd opgedragen door priesters uit Duitsland van de Petrusbroederschap die naar Kopenhagen waren gekomen, waar ik ook met de trein naartoe reisde.  
 
De bisschop maakte mij erop attent dat de priester van de Petrusbroederschap de traditionele mis opdroegen en hij zei: daar kun je rustig naartoe gaan om te zien hoe dat vroeger was. Ik had de ervaring dat alles wat ik geloofde en had geleerd volkomen paste in de vorm van de oude ritus. Er is niets meer wat stoort of wat uiterlijk niet correspondeert met hetgeen wat je gelooft. Ik vroeg mij af: Hoe kan het zijn dat de mis, wat het offer van Calvarië is, af en toe wordt opgedragen met zo weinig accent op het offerkarakter? Hoe kan het zijn dat de uiterlijke plechtigheden en eerbiedigheid zo sporadisch is? Hoe kan het zijn dat de uiterlijke vormen van de lutheranen eerbiediger zijn dan bij ons? Toen ik de oude mis zag, kon ik het niet helemaal volgen, maar ik wist onmiddellijk dat deze riten perfect pasten bij het geloof. Het was overweldigend. Alle teksten in die ik las in de volkstaal correspondeerde volledig met wat ik geloofde. Ik moest er wel aan wennen. Je moet van het ene water in het andere. Vanaf dat ogenblik was het duidelijk dat als ik priester moest worden het bij de oude mis moest zijn. Toen heb ik de Petrusbroederschap beter leren kennen en met 24 jaar ben ik naar het seminarie in Wigratzbad gereisd, helemaal in het zuiden van Duitsland. 
 
Hoe was uw tijd in Wigratzbad?
 
In het seminarie heerste een strenge discipline. Ook als men iets wordt gevraagd, dan moet men het doen. Als je niet in staat bent om het te doen, dan kun je de regent daarover privé aanspreken. Als je echter niet geschikt bent om diensten uit te voeren, dan ben je misschien ook niet geschikt om priester te worden. Je wordt daarin niet alleen opgevoed in gehoorzaamheid tot God in het gebed, maar ook tot gehoorzaamheid tegenover de kerk. Dat is belangrijk. Je hoort een geest van gehoorzaamheid te ontwikkelen. Ik kan me niet voorstellen dat het anders zou moeten zijn. Je wordt dagelijks met het geestelijk leven geconfronteerd. Het wordt normaal dat je het geestelijk leven onderhoudt en ook dat het geestelijk leven niet altijd makkelijk is. Je moet er moeite voor doen. Je moet jezelf niet licht laten overwinnen, maar streven naar geestelijke vernieuwing in God. Dat je inwendig steeds voor Hem blijft. Ook alles wat je doet qua uiterlijke discipline is er om ruimte voor God te maken. Ik ben dankbaar dat ik op dat seminarie heb gezeten. Net als in de parochie zijn er veel verschillende nationaliteiten en temperamenten. Dat heb ik ook in het seminarie mogen leren. Het geloof verschilt niet, maar de mensen verschillen. Het geloof is van God en de mensen blijven menselijk en cultureel verschillend. Dat geeft de kerk een bepaalde attractiviteit, omdat men niet het gevoel heeft van: ik moet zo zijn om hier uiterlijk bij te horen. 
 
De Agneskerk in Amsterdam is nu één van de snelst groeiende parochies in het land. Hoe bent u daar terecht gekomen? 
 
Als diaken was ik in 2005 naar Namen gestuurd om daar een beetje Vlaams te leren. Ik bediende daar een kleine kapel in Bierbeek. Voor de Petrusbroederschap kwam er toen de mogelijkheid om een kerk in Nederland over te nemen: de Agneskerk in Amsterdam. We hadden toen geen Nederlandse priesters (die komen er nu wel aan vanuit de Agnesparochie), en de overste van de broederschap heeft besloten dat ik degene zou zijn die hier in Nederland het apostolaat zou beginnen. Dat was in september 2006. Het eerste jaar reed ik vrijdagochtend naar Amsterdam en zondag na de hoogmis reed ik terug naar België. Zo was het eerste jaar van mijn priesterschap ’06/’07 drie dagen in Amsterdam en vier dagen in Namen. In de zomer van 2007 ben ik permanent naar Amsterdam gekomen. Er kwam nog een tweede priester die mij heeft geholpen, pater Komarovski, de huidige generaal-overste van onze broederschap. Hij was ook in 2006 tot priester gewijd. Er waren toen bijna geen gelovigen hier. Er was ook 40 jaar geen onderhoud gepleegd in de kerk. Het was een mammoetopdracht: om de taal te leren en een geloofsgemeenschap op te bouwen in een vervallen kerk. Bovendien was ik pas gewijd. Maar de ervaring in het seminarie en de verschillen tussen de seminaristen hebben mij ook geholpen om hier met de verschillende parochianen om te gaan. In het begin groeide het niet, maar met een kleine groep hebben we geprobeerd om de kerk te restaureren. Tussen 2008 en 2011 is er wat gedaan, maar vanaf ’11/’12 zijn we langzaamaan gegroeid. Nu zijn er zondags veel mensen verdeeld over drie missen. 2012 was ook het begin van het familie-apostolaat geweest. Nu zijn er veel jonge mensen met kinderen die ook graag met elkaar omgaan, omdat ze weten dat het belangrijk is om niet alleen te vechten, maar ook als gemeenschap bij elkaar te staan. Zodat de kinderen ook in een context kunnen verkeren van katholieke normaliteit. Dat is waar wij naar streven:
 
Hoe gaat het momenteel in de parochie?
 
Als je over geestelijke strijd spreekt: deze strijd is reeds gewonnen door het offer van Christus aan het kruis van Calvarië. Wij leven door de genade reeds in het Koninkrijk van God. Ons leven op aarde is als het ware een naklank van de kosmische strijd tussen de kwade geesten, de demonen enerzijds, die tegen God in opstand kwamen en de goede geesten, de engelen en heiligen, aan de andere zijde. Zij strijden voor onze zielen. Onze christelijke levensstrijd gaat erom om ons achter de overwinnende Christus te scharen.
 
In onze parochie zijn er vele bekeerlingen, gezinnen en ook veel jonge mensen die tot geloof komen en naar de oude ritus neigen. Dat heeft allereerst met de waarheid van Gods openbaring te maken. Het is zo dat als je tegelijkertijd een moderne opvoeding geniet, dat men dan aanstoot aan deze ritus kan nemen. Het moderne ideaal van zelfverwerkelijking staat haaks op de geest van de oude mis: wij willen ons tot dienst stellen. God doet het werk in ons. Het is zo dat de nieuwere vorm van katholieke godsdienst opener is voor de zelfverwerkelijkende geest. Zo kan men de liturgie gaan verwerken zoals men dat zelf wil. Daar zie ik een gevaar in. Dat is het moderne: om zelf het geloof vorm te geven. Het traditionele is echter om jezelf te laten vormen door hetgeen gegeven is. Dat is een groot verschil aangaande de modernere opvattingen van kerk-zijn. Dat zie je bijvoorbeeld terug in het synodale proces in Duitsland, waar geprobeerd wordt om de kerk een vorm te geven die bij moderne mensen past. Dat is denk ik een verkeerd geformuleerd beginsel. Afgezien van de tijd waarin wij leven, moeten wij ons laten vormen in het leven van Christus en Hij blijft dezelfde Christus vandaag en morgen.
 
Vanuit de traditionele discipline bestaat er al een houding over wat oecumene is en niet is en wat het ook niet zou kunnen zijn. Als priester ervaar je vaak de pijn van de gelovigen over hoe het huidige pontificaat zich ontwikkeld. Mij vervult het persoonlijk ook met veel smart. Het is niet de eerste keer in de geschiedenis van kerk dat er zo’n smart over de kerk komt. Het is een smart die zucht naar genezing. Ik denk dat wij een paus hebben die meer vragen opwerpt dan beantwoord en dat zijn niet altijd de goede vragen die hij opwerpt. Dat is een legitieme en loyale kritiek. Ik zie hoe de gelovigen eronder lijden. 

Geef een reactie