Interview met mgr. Hendriks, naar aanleiding van zijn benoeming tot Bisschop van bisdom Haarlem-Amsterdam

Eén juni jongstleden vond er een ‘wisseling van de wacht’ plaats: de Bisschop van bisdom Haarlem-Amsterdam, mgr. Jozef Punt ging met emeritaat (‘pensioen’) en hij werd opgevolgd door zijn Hulpbisschop (coadjutor) mgr. Jan Hendriks. Het leek de redactie van de Omega mooi om ter gelegenheid hiervan een interview te houden met de nieuwe Bisschop. Met een drietal redactieleden – Linda, Daniël en Clemens – gingen we bij hem op bezoek.

Juni-2020

door: Clemens van Lier 

 Kunt u wat vertellen over uw roeping, hoe is uw weg naar het priesterschap gegaan?

‘Mijn weg naar het priesterschap ging eigenlijk in twee fases. Vanaf mijn eerste heilige Communie was ik misdienaar, en ik had op jongere leeftijd al het verlangen om priester te worden. In mijn tijd bestonden er ook nog kleinseminaries, daar ben ik naartoe gegaan. Maar later kom je dan in de in de pubertijd, en dan krijg je ook andere interesses. Toen ben ik het idee om priester te worden een beetje kwijtgeraakt.

Ik raakte meer geïnteresseerd in literatuur, vooral ook Nederlandse literatuur. Tegelijk ging het in deze tijd minder goed met me; mijn resultaten op school waren onvoldoende en ik ging voorwaardelijk over naar de volgende klas, daarnaast was ik ook regelmatig ziek, mijn gezondheid was niet zo sterk in die tijd.
De tweede fase in mijn roeping kan ik sterk verbinden aan één moment, waarop een bekering plaatsvond. Ik herinner me dat ik op een avond het boek De tranen der acacia’s van Willem Frederik Hermans las. In dit boek, zoals in veel werken van deze auteur, is er vooral aandacht voor de slechtheid van de mens, voor het kwade waartoe hij in staat is. Ik was dus hierin aan het lezen, en had opeens een sterke bewustwording: ‘Zoals het hier staat, dat klopt niet, het is niet zo slecht. God bestaat, en ik moet Hem dienen.. Ik moet priester worden’.
Dit was voor mij een sterk moment van omkering, en dit is  nooit meer weggegaan, ik ben hier altijd bij gebleven. Het was een verandering in mijn leven, het ging vervolgens op school ook beter en ook met mijn gezondheid ging het veel beter. Dingen waren voor mij op hun plaats gekomen, er kwam orde in mijn leven. Ik wist wat ik wilde, ik had mijn doel.
In 1973 deed ik eindexamen op het diocesaan college, daarna wilde ik naar een priesteropleiding, maar die waren er niet, want er was geen seminarie. Die waren allemaal opgeheven in de jaren daarvoor. Mijn Bisschop destijds, mgr. Simonis, liet me studeren aan de Katholieke Theologische Hogeschool in Amsterdam. Ik ervoer echter dat dit niet bevorderlijk was voor mijn priesterroeping. Ik heb hier één jaar gestudeerd en ben daarna naar Grootseminarie Rolduc gegaan, in Kerkrade. Hier heb ik mijn priesterlijke vorming afgemaakt. Op 24 maart 1979 kon ik diaken gewijd worden, en op 29 september werd ik priester gewijd.’

 

 We maken een sprong vooruit. U bent aangesteld als residerende Bisschop van bisdom Haarlem-Amsterdam. Waar wilt u op letten als Bisschop?

‘Ik heb vier punten als hoofdthema’s, waaraan ik in het bijzonder aandacht wil besteden. Als eerste is dat Gemeenschap: we zijn samen Kerk, en daar horen alle groepen bij, ouderen, jongeren, migrantenparochies, de verschillende bewegingen. Als tweede thema, Missionair: de Kerk is wezenlijk apostolisch, geroepen om het Evangelie te verkondigen aan de mensen. Het derde thema is Caritas: wat christen-zijn betekent, zie je in de caritas. Aan de liefde die je leeft, ziet iemand dat je christen bent. Dit is ook wat mensen aantrok bij de eerste christenen. En als laatste thema: Jongeren en gezinnen: deze hebben in onze tijd extra aandacht nodig, om de weg naar de Kerk te vinden, om in de Kerk en in de wereld hun geloof goed te kunnen leven.’

Hoe ziet u het missionair zijn, één van de thema’s, concreet voor zich?

‘Ik denk dat het creëeren van een ‘katholiek Umfeld’ een heel belangrijk element van missioneren is: een manier creëeren waarop mensen kunnen aansluiten bij de Kerk, toegankelijk zijn voor de mensen. Bijvoorbeeld ook meer laagdrempelige activiteiten organiseren, maar die wel een verbinding naar het geloof hebben.
Een concreet initiatief in ons bisdom is The Missionary School. Hier krijgen jongeren een vorming in het geloof en in geloofsverkondiging, en ontwikkelen ze  hun eigen projecten die ze vervolgens in parochies opzetten.

Ook hebben we in het bisdom een aantal plaatsen aangewezen die een band hebben met het hele bisdom, en die van bijzondere missionaire betekenis zijn: de Kathedraal, het heiligdom van Onze Lieve Vrouw ter Nood in Heiloo, en de Nicolaasbasiliek in Amsterdam.’

 

Zijn er dingen waarvan u zegt: dat moet de Kerk in deze tijd eerder vermijden?

‘In het spreken over de regels van de Kerk is het verstandig terughoudend te zijn, in die zin dat de geboden van God pas betekenis krijgen als iemand in God gelooft en het verlangen heeft om Gods wil te doen. Als je alleen maar over de verboden en de geboden gaat praten, en iemand heeft nog niet de ervaring die er onder ligt, of het verlangen Onze Lieve Heer te kennen, dan kan dat bijna tot een blokkade worden. Dit is ook sterk wat Paus Franciscus heeft. Hij spreekt niet graag over de verboden. Je moet beginnen bij het begin, anders kan het tot een hindernis worden voor de verkondiging.’

Een vraag over een concreet dilemma: In Nederland zijn er veel scholen die het predicaat ‘katholiek’ dragen. In de praktijk echter is nog maar een zeer klein deel van deze scholen echt inhoudelijk katholiek. Als Bisschop heeft u de volmacht om dit predicaat in te trekken als dat nodig is. Denkt u niet dat het goed zou zijn dit bij een deel van de scholen te doen? (Mgr. Hendriks is ook Bisschop-referent voor het onderwijs)

‘Een eerste ding dat ik hierover kan zeggen is dat sommige katholieke gezinnen in ons bisdom goede ervaringen hebben met de enkele christelijk-gereformeerde scholen die  hier zijn. Zij hebben hun kinderen naar deze scholen gestuurd en met hen een goede overeenkomst gesloten.

Daarnaast; hoe katholieke scholen het doen, dat is heel erg verschillend, en dat hangt ook heel erg af van de personen – directeuren, docenten – die er zijn. Het enige wat wij nu als katholieke Kerk kunnen doen is, inderdaad, predicaat intrekken, of inspireren. Op dit moment stellen we bepaalde minimumeisen aan het predicaat ‘katholiek’, die komen in de statuten van de scholen. Hoe deze scholen in de praktijk werk hiervan maken… dat is zeer variabel. Er zijn zeker ook scholen die serieus werk ervan maken, in een niet gemakkelijke omstandigheid. Tot het intrekken van het predicaat zou ik niet gauw overgaan. Je moet je heel concreet afvragen wat dat voor voordeel brengt in een specifieke situatie. Als iets tegen het katholieke geloof is, dan moet je handelen. Maar als er te weinig wordt gedaan aan de katholieke identiteit stimuleer ik liever dat ze er wat meer aan doen.

Daarnaast ga ik wel langs op scholen, een aantal keer per jaar, vaak  op uitnodiging of via de gedelegeerde voor het onderwijs. Maar als Bisschop-referent voor het onderwijs ligt mijn bemoeienis eerder in het bestuurlijke Zo maak ik deel uit van de Nederlandse Katholieke Schoolraad en kom samen met de bisschoppelijk gedelegeerden voor het onderwijs.’

 

Hoeveel scholen zijn er precies met het predicaat ‘Katholiek’?

‘Er zijn meer dan tweeduizend katholieke basisscholen.’

 

Dus daar kan wel wat in geknipt worden zeg maar…

‘Nou.. het intrekken van het predicaat moet wel heel zorgvuldig gebeuren. In principe gaan we daar niet van uit. We proberen de katholiciteit te bevorderen. En als een school zich katholiek noemt, dan moet deze dat ook waar maken. En als een school dat helemaal niet waar wil maken, gaan we inderdaad in gesprek met een school en kan het zijn dat het gewoon beter is als een school zijn katholieke identiteit loslaat.

Daarnaast moeten we onze capaciteit om zelf echt katholieke scholen op te richten niet overschatten, dat vraagt heel veel. En er zijn ook de nodige katholieke scholen die echt hun best doen om hun identiteit waar te maken.’

 

En wat vindt u van katholiek thuisonderwijs in Nederland?

‘Dat kan goed zijn, maar het hangt ook af van de opvoedingscapaciteit van de ouders. Maar ik zou denken dat het op zich goed is als kinderen kunnen opgroeien in de maatschappij zoals we die nou eenmaal hebben, en daarin duidelijk hun katholiciteit kunnen vormgeven. Daarbij hebben ze goede opvoeding en begeleiding nodig van de ouders, die  tijd i moeten investeren om  met hun kinderen  te praten en ze iets mee te geven. Ik ben niet tegen homeschooling, maar ik zou er niet zomaar voor kiezen.

Wat ik bijvoorbeeld wel jammer vind, is dat katholieke ouders die hun kinderen naar niet-katholieke scholen sturen omdat er bijvoorbeeld geen andere mogelijkheden zijn, zo weinig gebruik maken van de mogelijkheid om katholiek godsdienstonderwijs te krijgen via RK-GVO. Ze hebben het recht om te vragen dat er katholiek godsdienstonderwijs wordt gegeven door een leraar die  een zending heeft van de Bisschoppen.’

 

Oké, even door naar een volgend onderwerp. Wat hebben wij als katholieken nodig om contact te houden met mensen buiten de Kerk?

‘Ik denk dat daarvoor het belangrijkste is dat katholieken leren over hun geloof en dat ze leren om daarover in dialoog te gaan. Dit is een heel zwak punt van katholieken, protestanten kunnen dat bijvoorbeeld veel beter. Heel belangrijk dus dat jongeren goede vorming zoeken en ook proberen te leren daarover te communiceren, dat sowieso.
Verder hangt het af van de omgeving waar je in zit. Het kan zijn dat je met mensen zit die helemaal niet openstaan voor het geloof. Soms kun je dan helemaal niets, maar je kunt wel jezelf blijven. Het is belangrijk dat je gewoon je katholieke dingen doet, en daarvoor ook uitkomt, dat je je eigen principes volgt, en dat je vraagt om respect. En als het zo gaat dat vrienden dat respect niet willen geven, dan zijn het misschien niet de beste vrienden voor je, dat mag je dan ook wel noemen.

Tegelijk is het goed om in je hele houding verzoenend te zijn. Je moet principieel zijn, zeker, maar je moet ook niet ‘alles op scherp’ zetten. Wel je principes behouden, en daar voor opkomen.’

 

Voor welke dingen bent u in dit bisdom specifiek dankbaar?

‘Ik ben dankbaar voor een heel aantal dingen. Bij ons heb je bijvoorbeeld de West-Friezen, die zijn heel sterk in hun uitingen, maar ze staan wel ergens voor. Ze zijn misschien eerder van de discussie en de confrontatie, maar ze hebben een overtuiging. En heel vaak is het geloof voor hen een  belangrijk punt.

Waar ik ook dankbaar voor ben is dat wij relatief gezien, dankzij het seminarie, en dankzij het seminarie van Redemptoris Mater, een goed aantal priesters hebben.
Ook ben ik dankbaar voor het grote aantal migrantengemeenschappen, die heel levendig zijn. Ten vierde ben ik dankbaar voor de diversiteit aan charisma’s in ons bisdom. Als mens kun je je aangesproken voelen voor verschillende facetten van ons geloof. We hebben bijvoorbeeld een parochie voor mensen die de buitengewone vorm van de Romeinse ritus zijn toegedaan, we hebben de Neokatechumenale Weg, we hebben de Charismatische vernieuwing, we hebben een sterke Mariale verering, er is een mooie koorcultuur, we hebben een muziekinstituut hier in de kathedraal en in de Nikolaas, Sant’ Egidio, en er zijn heel veel mensen die via de Caritas met de Kerk verbonden zijn, enzovoorts: veel diversiteit dus.’

 

Hoe wilt u het contact met de mensen in de parochies aan gaan houden?

‘Door parochies te bezoeken; zoals ik dat tot nu toe deed; dat wil ik graag blijven doen. Dan vier ik daar de H. Mis, er is een ontmoeting met de parochianen, en soms is er een avond over een bepaald onderwerp waarover ik kom spreken.’

 

Nog ter afsluiting, kunt u wat vertellen over uw wapenspreuk?

”Quodcumque dixerit vobis, facite’: “Doe maar wat Hij u zeggen zal”.

Dat is van de bruiloft in Kana. Het zijn eigenlijk de laatste woorden die van Maria zijn overgeleverd. Het is heel mooi en precies de boodschap die ik wil verkondigen. Bovendien leek het me mooi om voor mijn wapenspreuk iets van Maria te nemen, omdat ik op het seminarie Mariologie doceer en zelf een band  met Maria heb. Ik heb deze spreuk al gekozen als Hulpbisschop  en deze legde een mooie verbinding met mijn voorganger, mgr. Punt, die een wapenspreuk heeft die ook naar Maria verwijst: ‘Sub tuum praesidium’. Verder vond ik het mooi omdat deze zin uit het Johannesevangelie komt (Joh. 2, 5) en Johannes de Evangelist  mijn patroonheilige is; dus alles komt hierin samen.’

 

De redactie van de Omega dankt voor de gelegenheid van het interview en wenst Monseigneur Hendriks alle goeds en Gods zegen en wijsheid bij het vervullen van zijn ambt als Bisschop van bisdom Haarlem-Amsterdam.

 

Geef een reactie